Epiloog van de Bangalore reis

Na twee weken weer ondergedompeld te zijn geweest in ons normale werk, kwam enerzijds het besef dat er nog best wel vermeldenswaardige zaken zijn waar nog niet eerder over geschreven is en anderzijds werd duidelijk dat ‘even een blog schrijven’ toch best veel tijd kost. Waar ik op mijn hotelkamer in India makkelijk een paar uur achtereen doortikte, vond ik eenmaal terug in Nederland die tijd niet zo gemakkelijk meer. Ook wilden we het reisverslag toch wat luchtiger eindigen dan met het verhaal over de chulha’s; daarom volgt hier een ‘bonus’-hoofdstuk uit ons reisverslag.

Een van de zaken waarvoor wij van tevoren waren gewaarschuwd, was veiligheid: ga niet in je eentje op pad maar altijd met elkaar. Ik moet zeggen dat er naar mijn idee geen gelegenheden zijn geweest waar het nodig was dat iemand alleen op stap ging; aan de andere kant was het ook zo dat we nou niet bepaald de allerslechtste delen van Bangalore hebben gezien.

Een andere manier waardoor we op het aspect veiligheid werden geattendeerd, waren de detectiepoortjes. Natuurlijk op het vliegveld, maar ook in winkelcentra en toeristische attracties. Waar geen poortje stond, was dan tenminste wel een bewaker aanwezig met een draagbare scanner. Het bijzondere hieraan is echter dat er werkelijk niets gedaan wordt met signalen van de poortjes of scanners. Gedwee loopt iedereen door een poortje heen; uiteraard gaat het bij iedereen af maar slechts in een enkel geval hoef je je tas te openen; de bewaker werpt er een vluchtige blik op en laat je vervolgens doorlopen. Mogelijkheden te over om allerlei dubieuze zaken mee te smokkelen dus. Het gaf ons wel een indruk van grote inefficiëntie; er staan wel mannetjes in uniform maar ze zijn in feite tandeloos – op de bewaker van de Axis Bank na dan, die met een jachtgeweer(!) -modelletje 1870- op zijn schouder door het kantoor heen paradeerde. Ook buiten in het straatje van ons hotel zaten bewakers op een tuinstoeltje; voorzover ik kon nagaan was hun taak om luid op een fluitje te blazen en wild te gebaren naar automobilisten die in de straat wilden parkeren. Nuttig? Nee niet voor de samenleving volgens mij, maar wel voor de bewaker in kwestie die tenminste een inkomen heeft.

Heeft de gevestigde orde dan meer gezag in Bangalore? Hier moeten we het antwoord schuldig op blijven. De keren dat we een politieagent gezien hadden, betrof het verkeersagenten in iets te strakke pakjes en met witte cowboyhoed. Respect uiteraard wel voor hun lef om in Bangalore gewoon midden de straat op te lopen en het verkeer te gaan regelen.

Voor een samenleving die zo gedomineerd is door de Engelse cultuur (“Links blijven staan op de roltrap!” “Houd afstand in de rij!” en last but not least “Keep off the lawn!”) vind ik het bijzonder om te zien hoe men in India omgaat met rijen voor kassa’s of loketten. Waar in Nederland doorgaans de mensen keurig op afstand blijven staan van degene die op dat moment geholpen wordt, proberen de Indiërs de rij zo compact mogelijk te maken en staat de nummer 2 bijna tegen je aan te rijden terwijl jij probeert af te rekenen. Op het moment dat ik in een winkel iets wilde afrekenen en op zijn Westers enige afstand hield tot degene voor mij, kwam een ander doodleuk mij voorbijlopen om zeer dicht tegen de op dat moment geholpen persoon aan te gaan staan. Gelukkig was ik niet te verbaasd om “excuse me, I’m waiting in line here!” te roepen, anders had ik waarschijnlijk nog in die rij gestaan. Misschien is privacy bij de betaalautomaat/kassa in India wel helemaal geen issue.

Is India dan zo’n ongeregelde chaos? Ons verblijf daar is te kort geweest om dat te kunnen beweren. Het tegendeel vonden we namelijk ook in het hok van ING Vysya House waar wij hebben zitten zweten op de presentatie die we daar hebben gehouden. Aan de deur hing namelijk een A4-tje met de 30 geboden voor het gebruik van dat hok:

Handzaam lijstje met do's en don'ts...

Vooral het “Do not sleep inside the meeting room” intrigeerde ons. Kennelijk waren er ergens in het gebouw plekken waar dat dan wel gebruikelijk is….wij hebben ze niet gezien in elk geval.

Over het verkeer in Bangalore heb ik ondertussen wel genoeg geschreven; wel moet ik nog onze chauffeurs van die week benoemen. Via de event company waren aan ons twee auto’s met chauffeur ter beschikking gesteld. De chauffeurs waren niet altijd dezelfden, maar twee van hen beschouwen wij toch als onze ‘vaste’ chauffeurs. De ene was een heel klein en iel mannetje, de ander een nors kijkende, zwijgzame beer van een vent. Deze laatste was de chauffeur die Martin, Natalie en mij rondreed. Door zijn norse blik deed hij mij een beetje aan de trainer van Ajax denken; ‘Frank de Boer’ werd dus de gekozen bijnaam voor onze chauffeur.

Aangezien wij met ons drieën een auto deelden, moest er altijd wel iemand voorin zitten. Als echte heren wisselden Martin en ik dan ook regelmatig van voren naar achteren, zodat Natalie lekker achterin kon blijven zitten. Degene die achterin zaten, konden meestal gezellig samen kletsen of even bijslapen, terwijl degene voorin veroordeeld was tot proberen mee te luisteren – tot het moment dat de norse, zwijgzame beer Frank toch ontdooide en probeerde een praatje aan te knopen in Indiaas-Engels. Dat ging natuurlijk niet gemakkelijk; op sommige zaken antwoordden we dan ‘ja’ en op de overige onverstaanbare zaken reageerden we met ‘uhuh’.

Op een gegeven moment was Martin wel erg kien om van plek te wisselen zodat hij weer achterin kon gaan zitten. Het was toen dat ik erachter kwam waarom dat was: Frank deed de achternaam van zijn bijnaam eer aan; niet in de zin van het beroep ‘boer’ maar meer in de vorm van het werkwoord… gelukkig stond de airco continu te blazen dus de aroma’s van zijn ongetwijfeld zware Indiase ontbijt bereikten de passagiers-voorstoel niet.

Los van uitstekend chauffeur spelen, bleken Frank en zijn maatje ook prima ‘leadmanagers’, al hadden wij dat niet meteen door (dat zijn dan vaak ook de besten). Al op vrijdag richting Bandipur reden we door Mysore heen, langs een grote kerk. Frank vroeg mij (ik zat voorin, ja) of wij belangstelling hadden om die kerk te bekijken. Ik zei “nee, we hebben zat van dat soort kerken in het Westen, dus dank je”. De volgende middag echter op de terugweg bleek dat Frank wel succes had geboekt bij mijn reisgenoten: we waren kennelijk akkoord gegaan om toch een stop bij die kerk te maken.

Vlakbij de kerk was sprake van een grote parkeerchaos, maar op wonderbaarlijke wijze kwamen er twee parkeerplaatsen vrij en konden we aan de overkant van de kerk parkeren. Nog licht doof van het scheidsrechtersfluitje van de parkeerwacht stapten we uit, om vervolgens met licht dwingende hand en een grote tandpasta-smile door een paar Indiërs een winkel in geleid te worden. Yep, we zijn erin getrapt – als vee naar de slachtbank werden wij een zijde- en snuisterijenwinkel in geleid. Ongetwijfeld krijgen Frank en zijn kleine kompaan een leuke kickback voor het aanbrengen van zulke leads, maar tot teleurstelling van de winkeleigenaar resulteerde dit gedwongen bezoekje in een conversie van 0%. Na enkele minuten rondkijken en na het horen van de prijzen besloten we snel de winkel te verlaten en de kerk aan de overkant te bezoeken. Het enige vermeldenswaardige aan deze kerk waren de gigantische bijenkorven die aan het gebouw plakten en het feit dat je ook deze kerk zonder schoenen moest betreden. Dat ging ons te ver, dus na enkele minuten waren we ook hier uitgekeken en vervolgden we onze reis terug naar Bangalore.

Die reis konden we goed benutten om alvast een beetje voor- en bij te slapen voor de terugreis en de verwachte jetlag; de dag ervoor (vrijdag) was namelijk behoorlijk pittig: opstaan om 5 uur, vertrek om 6 uur richting Bandipur voor een rit van dik 4 uur, eenmaal aangekomen in het resort in Bandipur even snel opfrissen en lunchen, vervolgens naar het dorpje waar we de chulha hebben gebouwd om snel weer terug te keren naar het resort omdat onze safari om 4 uur ’s middags van start ging.

Die safari was ook nog wel een belevenis op zich. Zelf had ik al safari’s in zuidelijk Afrika meegemaakt en daar The Big Five gezien maar deze safari bood echter wel iets nieuws: tijgers.

Waar je in Afrika rustig in een vrachtwagentje zit, je je kunt concentreren op het spotten van wilde dieren of anders rustig op je schoot om kunt gaan met je delicate foto- of videoapparatuur, was deze Indiase safari toch duidelijk anders. Wij werden met een vrachtwagentje opgehaald; ons eerste idee was dan ook “nou lekker, een bijna-privé safaritruck met ruime zitplaatsen en iedereen zit aan de buitenkant”. Helaas werden we naar een centraal verzamelpunt gereden, waar we moesten overstappen in een al bijna volle safaritruck. Het werd nog passen en meten om een zitplaats te krijgen; helaas voor Joost resteerde voor hem een halve zitplaats naast een Indiër die op het oog redelijk vaak aan de butter chicken had gezeten. Toen de truck echter eenmaal van de weg het wildpark inreed, werd duidelijk dat de weggetjes in het park niet echt ‘gebaande paden’ waren. De tocht werd een soort achtbaanrit waarbij je elke illusie om scherpe foto’s tijdens het rijden te maken, al snel kon laten varen.

Op het moment dat er dan wel wild werd gespot, stopte de chauffeur wel zodat iedereen een poging kon doen foto’s te maken. Hoewel we wel wat wild hebben gespot uit de categorie “niet spectaculair” bleef de hoofdprijs: tijgers of leeuwen, uit. Dat was ook niet heel gek omdat de truck waarin wij zaten, een oorverdovend lawaai maakte tijdens het rijden. De poging van de chauffeur om het wild niet af te schrikken door de motor uit te zetten bovenaan een heuvel, om vervolgens de truck stilletjes naar beneden te laten rollen was op zich slim, ware het niet dat de truck zelf evengoed zoveel lawaai maakte (vering, andere losse(?)  onderdelen) dat zelfs de niet-schuwe dieren (inclusief eventueel aanwezige dove kwartels) het hazenpad kozen. De “winst” van deze safari? We hebben een uil, een pauw, een arend, een ‘kingfisher’ (ijsvogel), een paar apen, herten, zwijnen en twee olifanten gespot en tegelijkertijd hebben we een totale workout voor al onze spieren gekregen alsof we 2,5 uur op een trilplaat gestaan hadden.

Kingfishers zijn er in vele varianten. Ook deze hebben we meermaals 'gespot'.

Er zijn nog genoeg andere zaken te vertellen, maar die blijven voorbehouden aan de herinneringen van Natalie, Martin, Joost, Jaap en mijzelf. Het enige wat ik nog wil delen en waar waarschijnlijk een aantal mensen nog erg benieuwd naar is, is hoe het is afgelopen met de koffer van Joost. De trouwe lezers weten dat deze reisblog begon met de beschrijving van een ‘customer journey’ die begon bij het inchecken van onze koffers bij KLM op Schiphol. Omdat ik van plan ben om deze blog te gebruiken om wat meer serieuze stukken te schrijven over marketing, social media en klantbeleving, wordt de casus van de, jawel, nog altijd verloren koffer van Joost en vooral de manier hoe KLM en Air France hierin hebben opgetreden, het eerste serieuze onderwerp. Als beginnend blogger vind ik het in elk geval erg fijn om te horen dat in elk geval deze eerste publicaties erg gewaardeerd werden; ik kan alleen maar hopen dat dat voor mijn volgende stukken ook opgaat. Voor wie na dit zesde deel afhaakt: bedankt voor het lezen, en voor alle anderen: wordt vervolgd…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s